
Beeld: Canva
Feniks Lune: Instorten: “Ik kan niet meer. Ik wil niet meer zo leven. Ik wil bij je weg”
Toen ik het eindelijk uitsprak, trilde mijn stem. Het had me alles gekost om die woorden hardop te zeggen. Hij keek me aan alsof ik niets had gezegd. Alsof mijn wanhoop geen gewicht had.
Later hoorde zijn vader het ook. Zijn woorden waren scherp en genadeloos: dat ik niets had, niets kon, de kinderen niets te bieden had en nergens heen kon. Die zinnen vielen als stenen. En ergens geloofde ik ze. Als je maar vaak genoeg hoort dat je niets waard bent, ga je eraan twijfelen of het misschien waar is.
Een paar dagen later zat ik bij de huisarts. Ik zei dat ik op was. Dat ik het niet meer trok. Niet hoe mijn leven langzaam was uit elkaar gevallen, niet hoe klein ik me voelde. Daar schaamde ik me voor. Ik kreeg antidepressiva en kalmerende medicatie. Even rust, even bijtanken.
Maar rust kwam er niet.
Mijn lichaam begon te protesteren. Zenuwpijn hield me ’s nachts wakker. Ik kreeg zware pijnstillers zodat ik kon blijven functioneren. Alles stond in het teken van doorgaan. Werken. Zorgen. Volhouden. Ondertussen gleed de regie langzaam uit mijn handen.
Ik zocht kleine ontsnappingen. Een sigaret in het schuurtje, tien minuten alleen. Later een joint om te kunnen slapen. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik het anders niet volhield. Elke keer voelde ik schuld. Naar mijn kinderen. Naar mezelf.
Op een avond, toen de gedachten te donker werden, opende ik de chat van 113 Zelfmoordpreventie. Anoniem. Veilig. Ik typte dat ik niet wist of ik nog verder kon. Er werd geluisterd. Geen oordeel, geen verwijten. Die gesprekken maakten mijn leven niet ineens beter, maar ze hielpen me de nacht door. Soms was dat genoeg.
Ik stond op instorten. Niet in één dramatisch moment, maar langzaam. Ik was er nog voor mijn kinderen. Ik deed wat er van me verwacht werd. Maar wie ik zelf was, wist ik niet meer.
Het moeilijkste was misschien nog wel de onzichtbaarheid. Er waren geen blauwe plekken. Geen kapotte deuren. Alles was stil, geraffineerd, onzichtbaar. Voor de buitenwereld leek het alsof ik gewoon doorging. Maar vanbinnen brokkelde ik af.
En toch waren er kleine dingen die me vasthielden. De huisarts waar ik toch naartoe ging. De anonieme gesprekken in de nacht. Het gevoel van mijn kinderen tegen me aan. Het maakte me niet heel, maar het gaf me genoeg om nog even door te gaan. Heel even.
PRAAT MEE MET ANDERE Mama’s in de community
Kom in contact met (aanstaande) ouders, word lid van een geboorteclub en blijf op de hoogte van de ontwikkeling van je kind.