
Beeld: Canva
Ik had toch gezegd dat dit zou gebeuren!
Deel 43: Dagboek van de Spoedzusters – Wie wint hierbij?
Ik weet nog precies hoe hij keek – Hij zat op de brancard, een jongetje van zeven, met zijn arm in een vreemde hoek die niet klopte. Te stil voor zijn leeftijd. Zijn ogen schoten heen en weer tussen zijn vader en moeder, alsof hij probeerde te voorspellen waar de volgende klap zou vallen. Niet fysiek — die had hij al gehad — maar verbaal.
Het verhaal was snel duidelijk: de kleine man had achterop de fiets gezeten bij zijn moeder. Voorin de krat lagen de boodschappentassen – te zwaar, te vol. Vader had het vaker gezegd. Dat ze zo niet moest fietsen. Niet met hem achterop. Niet met al die spullen. En nu waren ze gevallen…
Op de SEH bleek dat de arm was gebroken, en deze moest rechtgezet worden.
Maar de echte pijn in de kamer kwam niet van de breuk…
Terwijl wij bezig waren met de intake, begon vader: “zie je wel”, te sissen tegen moeder..
“Ik had dit toch gezegd?”
“Altijd luister je niet.”
“Dit is precies wat ik bedoelde.”
Moeder zei weinig. Ze keek naar de grond, haar handen trilden. En het jongetje… die keek naar haar. En toen naar zijn vader. En toen weer naar zijn arm. Alsof hij dacht: als ik niet achterop had gezeten, was dit niet gebeurd.
Ik hurkte naast hem om zijn naam te zeggen, om hem uit te leggen wat we gingen doen. Maar elke zin werd overstemd door de boosheid van vader..
Op de SEH doen we veel met onze handen. We zetten botten recht, geven pijnstilling, houden vast als het spannend wordt. Dit jongetje moest naar de behandelkamer om zijn arm te zetten. Dat doet pijn. Dat is eng. Maar eerlijk? Zijn hartslag ging niet omhoog toen de arts binnenkwam. Die ging omhoog bij de stem van zijn vader.
Ik zag het aan alles. Zijn schouders strak. Zijn ademhaling hoog. Zijn ogen glazig. Niet huilen — nee, zich groot houden. Want huilen voelt op dat moment misschien als olie op het vuur.
Ik vroeg de vader of hij even met me mee wilde lopen. “Gewoon heel even,” zei ik. Mijn stem rustig, maar beslist. Dit was niet het moment voor gelijk krijgen.
Toen het eindelijk stiller werd in de kamer en moeder naast het bed ging zitten, zag ik het jongetje ontspannen. Hij pakte haar hand vast met zijn goede hand. Zijn lip trilde. “Mama, het spijt me,” fluisterde hij. Die zin kwam binnen. Hard.
Want dit kind was niet verantwoordelijk. Niet voor de boodschappen. Niet voor de fiets. Niet voor de ruzie. Maar hij voelde zich dat wel.
Dat is wat kinderen doen. Ze nemen schuld op zich, omdat dat veiliger voelt dan erkennen dat de grote mensen het even niet weten.
De arm werd gezet. Hij kreeg een gips. Een stoere kleur mocht hij uitkiezen. Medisch gezien kwam het goed. Maar als SEH-verpleegkundige weet ik: dit is zo’n moment dat blijft hangen.
Niet de pijn.
Niet het ziekenhuis.
Maar de boosheid.
De woorden.
De blik van zijn vader terwijl hij daar lag.
En echt… Ik begrijp de boosheid. Toen mijn jongste 2 jaar was is er iets soortgelijks gebeurd en was ik diegene die zo had gewaarschuwd en boos was. Angst zoekt vaak een uitweg, en soms wordt dat woede. Maar niet waar je kind bij is. Niet op dit moment.
Oud & Nieuw — een nacht van traditie… en trauma
Schaamte en pijn, een gevaarlijke combinatie
Je mag boos zijn.
Je mag gelijk hebben.
Maar even niet hier. Even niet nu. Niet waar het getroffen kind bij is.
Want terwijl jullie vechten over wie er gelijk had, vecht dit jongetje met iets heel anders:
Ben ik veilig?
Is dit mijn schuld?
En dat… dat is geen breuk die wij kunnen zetten.
PRAAT MEE MET ANDERE Mama’s in de community
Kom in contact met (aanstaande) ouders, word lid van een geboorteclub en blijf op de hoogte van de ontwikkeling van je kind.